kroatie-vakantie Advertisement
 
Home arrow Taal arrow Taalgids
Monday, 30 May 2011
Accommodatie, Hotels, Campings, Appartementen, Villa's in Kroatie
Taalgids

Kroatische Taalgids

Allfabet:

A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X - Y - Z

Abeceda:

A - B - C - Č - Ć - D - Dž - Ð - E - F - G - H - I - J - K - L - LJ - M - N - NJ - O - P - R - S - Š - T - U - V - Z - Ž

 

Persoonlijke voornaamwoorden ( ik, jij …)

Osobne zamjenice (ja, ti …)

Ik

Ja

Jij / je

Ti

Ze

Ona

Hij

On

Het

Ono

Wij / we

Mi

Zij

Oni / one

Jullie

Vi

U

Vi

 

Werkwoord “heten”:

Glagol “zvati”:

Ik heet

Ja se zovem

Je / jij heet

Ti se zoveš

Hij heet

On se zove

Ze heet

Ona se zove

Het heet

Ono se zove

Zij heten

Oni / one se zovu

We / wij heten

Mi se zovemo

Jullie heten

Vi se zovete

U heet

Vi se zovete

Heet ik Marko?

Zovem li se Marko?

Heet je Marko?

Zoveš li se Marko?

Heet hij Marko?

Zove li se Marko?

Heet ze Stefani?

Zove li se Stefani?

Heet het Marko?

Zove li se Marko?

Heten zij Boerboom?

Zovu li se Boerboom?

Heten we / wij Boerboom?

Zovemo li se Boerboom?

Heten jullie Boerboom?

Zovete li se Boerboom?

Heet u Marko?

Zovete li se Marko?

 

Voorbeeld:

Primjer:

Ik heet Marko

Ja se zovem Marko

Je / jij heet Marko

Ti se zoveš Marko

Hij heet Marko

On se zove Marko

Ze heet Stefani

Ona se zove Stefani

Het heet Marko

Ono se zove Marko

Zij heten Boerboom

Oni / One se zovu Boerboom

We/wij heten Boerboom

Mi se zovemo Boerboom

Jullie heten Boerboom

Vi se zovete Boerboom

U heet Marko

Vi se zovete Marko

Hoe heet je?

Kako se ti zoveš?

Hoe heet ze?

Kako se ona zove?

Hoe heet hij?

Kako se on zove?

Hoe heet het?

Kako se ono zove?

Hoe heten zij?

Kako se oni zovu?

Hoe heten we/wij?

Kako se mi zovemo?

Hoe heten jullie?

Kakos se vi zovete?

Hoe heet u?

Kako se vi zovete?

 

Werkwoord “weten” :

Glagol “znati”:

Ik weet

Ja znam

Je / Jij weet

Ti znaš

Hij weet

On zna

Ze weet

Ona zna

Het weet

Ono zna

We / wij weten

Mi znamo

Zij weten

Oni / one znaju

Jullie weten

Vi znate

U weet

Vi znate

Weet je?

Znaš li ti?

Weet hij?

Zna li on?

Weet ze?

Zna li ona?

Weten zij?

Znaju li oni / one

Weten we / wij?

Znamo li mi?

Weten jullie?

Znate li vi?

Weet u?

Znate li vi?

 

Voorbeeld :

Primjer:

Ik weet waar Rovinj is.

Ja znam gdje je Rovinj.

Je weet waar Rovinj is.

Ti znaš gdje je Rovinj.

Hij weet waar Rovinj is.

On zna gdje je Rovinj.

Ze weet waar Rovinj is.

Ona zna gdje je Rovinj.

Het weet waar Rovinj is.

Ono zna gdje je Rovinj.

Zij weten waar Rovinj is.

Oni / one znaju gdje je Rovinj.

We / wij weten waar Rovinj is.

Mi znamo gdje je Rovinj.

Jullie weten waar Rovinj is.

Vi znate gdje je Rovinj.

U weet waar Rovinj is.

Vi znate gdje je Rovinj.

Weet je waar Rovinj is?

Znaš li gdje je Rovinj?

Weet hij waar Rovinj is?

Zna li on gdje je Rovinj?

Weet ze waar Rovinj is?

Zna li ona gdje je Rovinj?

Weet het waar Rovinj is?

Zna li ono gdje je Rovinj?

Weten zij waar Rovinj is?

Znaju li oni / one gdje je Rovinj?

Weten we / wij waar Rovinj is?

Znamo li mi gdje je Rovinj?

Weten jullie waar Rovinj is?

Znate li vi gdje je Rovinj?

Weet u waar Rovinj is?

Znate li vi gdje je Rovinj?

 

Werkwoord “wonen” :

Glagol “stanovati”:

Ik woon

Ja stanujem

Je woont

Ti stanuješ

Hij woont

On stanuje

Het woont

Ono stanuje

Ze woont

Ona stanuje

Zij wonen

Oni / One stanuju

We / wij wonen

Mi stanujemo

Jullie wonen

Vi stanujete

U woont

Vi stanujete

Woon je / jij in Erasmusweg?

Stanuješ li u Erasmusweg?

Woont hij in ………………….?

Stanuje li on u ………….?

Woont het in ………………….?

Stanuje li ono u …………?

Woont ze in ……………………?

Stanuje li ona u …………?

Wonen zij in ………………….?

Stanuju li oni / one u ….?

Wonen we / wij in …………..?

Stanujemo li mi u ……..?

Wonen jullie in ……………..?

Stanujete li vi u …………?

Woont u in …………………….?

Stanujete li vi u …………?

 

Voorbeeld:

Primjer:

Waar woon je Peter?

Gdje stanuješ Peter?

Ik woon in Utrecht.

Ja stanujem u Utrehtu.

Woon je in een flat?

Stanuješ li u stanu?

Nee, ik woon in het huis.

Ne, ja stanujem u kući.

Op welke nummer woon je?

Na kom broju stanuješ?

Op nummer 25.

Na broju dvadeset pet

 

Werkwoord “zijn”:

Glagol “biti”:

Ik ben arts.

Ja sam doktor.

Jij bent arts.

Ti si doktor.

Ze is arts.

Ona je doktor.

Hij is arts.

On je doktor.

Zij zijn artsen.

Oni / one su doktori.

We / wij zijn artsen.

Mi smo doktori.

Jullie zijn artsen.

Vi ste doktori.

U bent arts.

Vi ste doktor.

Ben ik arts?

Jesam li ja doktor?

Ben je / jij arts?

Jesi li ti doktor?

Is hij arts?

Je li on doktor?

Is ze arts?

Je li ona doktor?

Zijn wij artsen?

Jesmo li mi doktori?

Zijn zij artsen?

Jesu li oni / one doktori?

Zijn jullie artsen?

Jeste li vi doktori ?

Bent u arts?

Jeste li vi doktor?

 

Gesprek:

Razgovor:

Marko: Dag, ik ben Marko.

Dobar dan ja sam Marko.

Jaap: Dag, Ik ben Jaap.

Dobar dan ja sam Jaap.

Marko: En, hoe heet u?

Kako se vi zovete.

Karin: Ik ben Karin.

Ja sam Karin.

Marko: Waar woon je Jaap?

Gdje stanuješ Jaap?

Jaap: Ik woon in Amsterdam.

Ja stanujem u Amsterdamu.

Marko: Waar in Amsterdam?

Gdje u Amsterdamu?

Jaap: In “Keucheniusstraat”. En jij?

U “Keucheniusstraat”. A ti

Marko: Ik woon in Rovinj.

Ja stanujem u Rovinju.

Karin: Dit is Monik.

Ovo je Monik.

Monik: Dag, Ik woon in Utrecht.

Dobar dan, ja stanujem u Utrecht.

Monik: Ik ben de vriendin van Jaap.

Ja sam Japova prijateljica.

Jaap: Waar is het postkantoor, alstublieft?

Gdje je pošta, molim vas?

Marko: Rechtdoor, dan naar links.

Ravno, zatim lijevo.

Monik: Waar is het dokter,

alstublieft?

Gdje je doktor, molim vas?

Marko: Eerste rechtsaf darna rechtdoor

Prva desno zatim ravno

 

Voorbeeld:

Primjer:

Mag ik me even voorstelen?

Mogu li se predstaviti?

Hoe heet je?

Kako se zoveš?

Hoe heet ze?

Kako se ona zove?

Mijn naam is?

Moje ime je. Ja se zovem.

Wat is uw naam?

Kako se vi zovete?

Wat is u achternaam?

Kako se vi prezivate?

Prettig met u kennis te maken.

Drago mi je da smo se upoznali.

Bent u Jaap?

Jeste li vi Jaap ?

Ben je uit Nederland?

Jesi ti iz Holandije?

Woont Marko in Rovinj?

Stanuje li Marko u Rovinju?

Waar woont Marko?

Gdje stanuje Marko?

Waar woon je?

Gdje ti stanuješ?

Waar is Rovinj?

Gdje je Rovinj?

Kunt u uw naam spellen?

Možete li vi svoje ime spelovati?

Hoe spel je dat?

Kako se to speluje?

Kom je uit Nederland?

Dolazite li vi iz Holandije?

Waar kom je vandaan?

Odakle ti dolaziš ?

Ik kom uit Nederland.

Ja dolazim is Holandije.

Op welke nummer woon je?

Na kom broju stanuješ?

Uit welke land komt u?

Iz koje zemlje dolazite?

Wat is uw geboortedatum?

Kojeg dana ste rođeni?

Wat is uw telefoonnummer?

Koji vam je brojtelefona?

In welke straat woont je?

U kojoj ulici stanujete?

Wat is dit?

Što je ovo?

Dit si het postkantoor.

Ovo je pošta.

Wat is dat daar?

Što je ono tama?

Dat daar is het gemeentehuis.

Ono tamo je općina.

 

Worden

Riječi

Prettig

Lijepo, drago

Met

sa

Hoe

kako

Waar

gdje

Daar

tamo

Waarvandaan

odakle

Mijn

moje

Kennismaken

upoznati

Uw

vaše

Kunt

možete

Naam

ime

Achternaam

prezime

Kom

doći, dolaziti

Uit

iz, vani

Op

na

Welke

koji, kojem

Nummer

broj

Land

zemlja, država

Geboortedatum

dan rođenja

Dit

ovo, to

Dat

ono

Vriendin

prijateljica

Van

od

Wonen

živjeti, stanovati

Heet

zvati se

Weet

znati

Goed

dobro

Dank je

hvala ti

Uitstekend

odlično

Alsjeblieft

molim te, izvoli

Alstublieft

molim vas, izvolite

Eet smakelijk

dobar tek

Proost

živjeli, živjela, živio

Welkom

dobro došli, došla/došao

Goede reis

sretan put

Schiet op

požuri, požurite

Wacht even

pričekaj malo

Pardon

pardon

Sorry

izvin, izvinite

Huis

kuća

Dan

onda, zatim

Postkantoor

pošta

Gemeentehuis

općina

Eerste

prva

Darnaa

zatim

Links

lijevo

Rechts

desno

Rechtdoor

ravno, pravo

Rechtsaf

nadesno

Linksaf

nalijevo

 

Getallen:

Brojevi:

1 = een

1 = jedan

2 = twee

2 = dva 

3 = drie

3 = tri

4 = vier

4 = četiri

5 = vijf

5 = pet

6 = zes

6 = šest

7 = zeven

7 = sedam

8 = acht

8 = osam

9 = negen

9 = devet

10 = tien

10 = deset

11 = elf

11 = jedanaest

12 = twaalf

12 = dvanaest

13 = dertien

13 = trinaest

14 = veertien

14 = četrnaest

15 = vijftien

15 = petnaest

16 = zestien

16 = šesnaest

17 = zeventien

17 = sedamnaest

18 = achttien

18 = osamnaest

19 = negentien

19 = devetnaest

20 = twintig

20 = dvadeset

21 = eenentwintig

21 = dvadeset jedan

22 = tweeëntwintig

22 = dvadeset dva

23 = drieëntwintig

23 = dvadeset tri

30 = dertig

30 = trideset

31 = eenendertig

31 = trideset jedan

40 = veertig

40 = četrdeset

50 = vijftig

50 = pedeset

60 = zestig

60 = šezdeset

70 = zeventig

70 = sedandeset

80 = tachtig

80 = osamdeset

90 = negentig

90 = devetdeset

100 = honderd

100 = sto

101 = honderd een

101= stojedan

102 = honderdtwee

102 = stodva

1000 = duizend

1000 = tisuću, hiljadu

1000000 = miljoen

1000000 = milijon

de 1ste

Prvi

de 2de

Drugi

de 3de

Treći

de 4de

Četvrti

de 5de

Peti

de 6de

Šesti

de 7de

Sedmi

de 8ste

Osmi

de 9de

Deveti

de 10de

Deseti

de 11de

Jedanaesti

de 12de

Dvanaesti

de 13de

Trinaesti

de 14de

Četrnaesti

de 15de

Petnaesti

de 16de

Šesnaesti

de 17de

Sedamnaesti

de 18de

Osamnaesti

de 19de

Devetnaesti

de 20ste

Dvadeseti

de 21ste

Dvadeset prvi

de 22ste

Dvadeset drugi

de 30ste

Trideseti

de 31ste

Trideset prvi

de 40ste

Četrdeseti

de 50ste

Pedeseti

de 100ste

Stoti

de 1000ste

Hiljaditi, Tisućiti

Eenmaal

Jedan put

Tweemaal

Dva puta

De helft

Polovica

Een paar

Par

Dubbel

Dvostruk

Een derde

Trećina

Een kwart

Četvrtina

Een vijfde

Petina

Een achtste

Osmina

Enkelvoudig

Jednostruk

 

Groeten:

Pozdravi:

Goedemorgen…

Dobro jutro

Goedendag…

Dobar dan

Goedemiddag…

Dobro poslije podne

Goedenavond…

Dobra večer

Goedenacht…

Laku noć

Slaap lekker…

Laku noć, spavaj dobro

Tot ziens…

Doviđenja

Tot straks

Do skorog viđenja

Dag…

Zdravo, dobar dan

Goed reis

Sretan put

Welkom (meer personen)

Dobro došli

Welkom (man)

Dobro došao

Welkom (vrouw)

Dobro došla

 

Felicitaties:

Čestitati:

Vrolijk Kerstfeest!

Sretan Božić !

Gelukkig Nieuwjaar!

Sretna nova godina!

Gefeliciteerd met je verjaardag!

Sretan rođendan !

Prettige vakantie / feestdagen!

Sretni praznici !

Gefeliciteerd!

Čestitam !

Dankjewel, insgelijks!

Hvala, također !

 

Voorbeeld:

Primjer:

Dag meneer.

Dobar dan gospodine.

Dag mevrouw.

Dobar dan gospođo.

Dag juffrouw.

Dobar dan gospođice.

Hoe gaat het?

Kako si/Kako ste?

Goed dank je.

Dobrao hvala ti.

De groeten aan Marko.

Pozdravite Marka.

Goed dank u.

Dobro hvala vam.

Hoe gaat het met meneer Marko?

Kako je gospodin Marko?

Hoe gaat het met mevrouw Karin?

Kako je gospođa Karin?

Goedmorgen mevrouw Karin, hoe gaat het?

Dobro jutro gospođo Karin kako ste?

Komt u binnen

Izvolite ući

 

De dagen van de week:

Dani u tjednu (sedmici):

Maandag

Ponedjeljak

Dinsdag

Utorak

Woensdag

Srijeda

Donderdag

Četvrtak

Vrijdag

Petak

Zaterdag

Subota

Zondag

Nedjelja

 

De maanden van het jaar:

Mjeseci u godini:

Januari

Siječanj / Januar

Februari

Veljača / Februar

Mart

Ožujak / Mart

April

Travanj / April

Mei

Svibanj / Maj

Juni

Lipanj / Juni

Juli

Srpanj / Juli

Augustus

Kolovoz / Augustus

September

Rujan / Septembar

Oktober

Listopad / Oktobar

November

Studeni / Novembar

December

Prosinac / Decembar

 

Werkwoord “Hebben”:

Glagol “Imati”:

Ik heb een broer.

Ja imam jednog brata.

Je / jij hebt een broer.

Ti imaš jednog brata.

Hij heeft een broer.

On ima jednog brata.

Ze heeft een broer.

Ona ima jednog brata.

Het heeft een broer.

Ono ima jednog brata.

Zij hebben een broer.

Oni / One imaju jednog brata.

We / wij hebben een broer.

Mi imamo jednog brata.

Jullie hebben een broer.

Vi imate jednog brata.

U heeft een broer.

Vi imate jednog brata.

Heb ik een broer?

Imam li ja brata?

Heb je / jij een broer?

Imaš li ti brata?

Heeft hij een broer?

Ima li on brata?

Heeft ze een broer?

Ima li ona brata?

Heeft het een broer?

Ima li ono brata?

Hebben wij een broer?

Imamo li mi brata?

Hebben zij een broer?

Imaju li one / oni brata?

Hebben jullie een broer?

Imate li vi brata?

Hebt u een broer?

Imate li vi brata?

 

Gesprek:

Razgovor:

Marko : Welke dag is het vandaag?

Koji dan je danas?

Jaap : Vandaag is woensdag.

Danas je srijeda.

Marko: Welke dag is het morgen?

Koji dan je sutra?

Jaap : Morgen is het donderdag.

Sutra je četvrtak.

Marko : Welke dag is overmorgen?

Koji dan je prekosutra?

Jaap : Overmorgen is vrijdag.

Prekosutra je petak.

Marko: Hoe oud ben je Jaap?

Koiko godina imaš Jaap? Koliko si star?

Jaap : Ik ben achtentwintig.

Ja imam dvadesetosam godina.

Jaap: En jij Marko?

A ti Marko?

Marko: Ik ben ook 28.

Ja imam isto 28.

Jaap: Hoe oud is je vader?

Koliko godina ima tvoj otac?

Marko: Hij is zevenenzestig.

On ima šezdesetsedam godina.

Jaap: Hoeveel kinderen heb je?

Koliko djece imaš?

Marko: Ik heb twee kinderen.

Ja imam dvoje djece.

Marko: Heb je kinderen?

Imaš ti djece?

Jaap: Ja, ik heb ook twee.

Da, ja imam isto dvoje.

Jaap: Ik ben mijn paspoort kwijt. Weet je waar het politiebureau is?

Ja sam moj pasoš izgubio. Znaš li gdje je policija?

Marko: In het centrum.

U centru.

Jaap: Weet je waar de brievenbus is?

Znaš li gdje je poštanski sandučić?

Marko: Ik weet het niet.

Ne znam.

 

Worden:

Riječi:

Vandaag

Danas

Vanmorgen

Jutros

Vanmiddag

Danas po podne

Vanavond

Večeras

Vannacht

Noćas

Morgen

Sutra

Morgenochtend

Sutra ujutro

Morgenmiddag

Surtra po podne

Overmorgen

Prekosutra

Gisteren

Jučer

Gisterenavond

Sinoć

Eergisteren

Prekojuče

De volgende dag

Idući dan

De vorige dag

Predhodnog dana

Deze week

Ovog tijedna

Vorige week

Prošlog tijedna

Deze maand

Ovog mijeseca

Volgende maand

Idućeg mijeseca

De vorige maand

Prošlog mijeseca

Dit jaar

Ove godine

Volgend jaar

Iduće godine

Vorig jaar

Prošle godine

Ook

Isto

Vader

Otac

Hoeveel

koliko

Kind

djete

Kinderen

djeca

Heb

imam

Politiebureau

policija

Centrum

centar

Kwijt

izgubiti

Brievenbus

poštanski sandučić

 

Over het weer:

O vremenu:

Weer

Vrijeme

Warm

Toplo

Koud

Hladno

Glad

Glatko

Mistig

Maglovito

Graad

Stupanj

Onder

Ispod

Mooi

Lijepo

Slecht

Loše

Zon

Sunce

Maan

Mjesec

Wint

Vjetar

Regen

Kiša

Mist

Magla

Hagel

Grad

Zomer

Ljeto

Herfst

Jesen

Winter

Zima

Lente

Proljeće

 

Voorbeeld:

Primjer:

Het is warm

Toplo je

Het is koud

Hladno je

Het vriest

Smrzava, mraz je

Het is glad

Glatko je, poledica je

Het is mistig

Maglovito je

Het is vijf graden onder nul

Pet stupnjeva je ispod nule

Het is mooi weer

Lijepo je vrijeme

Het is slecht weer

Loše je vrijeme.

 

Gesprek:

Razgovor:

Marko: Is het koud vandaag?

Je li hladno danas?

Jaap: Ja, het is koud.

Da, hladno je.

Marko: Vriest het?

Smrzava li?

Jaap: Nee, nog niet.

Ne, još ne.

Marko: Is het mistig?

Je li maglovito?

Jaap: Wordt de morgen mooi weer?

Hoće li sutra biti lijepo vrijeme?

Marko: Nee, het gaat regenen.

Ne, kiša će padati.

Jaap: Wat is gemiddelde temperatuur van het water?

Koja je prosječna temperatura vode?

Marko : Ongeveer 22 graden.

Otprilike 22 stupnja.

Jaap: Overmorgen zal mooi weer zijn.

Prekosutra će biti lijepo vreme.

Marko: Ja, en daarna zal zon blijfen schijnen.

Da, zatim će biti sunčanao.

 

De tijd:

Vrijeme:

Hoe laat is het?

Koliko je sati?

Het is twaalf uur ‘s middags.

Podne je.

Het is twaalf uur ’s nachts.

Ponoć je.

Het is zes uur.

Šest sati.

Het is tien over zes.

Šest i deset.

Het is vijf voor half zeven.

Šest i dvadeset pet.

Het is half zeven.

Pola sedam.

Het is tien voor zeven.

Deset do sedam.

 

Eten en drinken:

Jelo i piće:

Brood

Kruh

Soep

Juha, supa

Rijst

Riža

Macaroni

Makaroni

Vlees

Meso

Runvlees

Govedina

Biefstuk

Biftek

Varkensvlees

Svinjetina

Kalfsvlees

Teletina

Lamsvlees

Janjetina

Vis

Riba

Ei

Jaje

Eieren

Jaja

Boter

Maslac

Honing

Med

Jam

Ðem

Kaas

Sir

Ham

Šunka

Worst

Kobasica

Groenten

Povrće

Sla

Salata

Tomaat

Rajčica, paradijs

Aardappel

Krompir

Ui

Crveni luk

Knoflook

Bijeli luk

Lusten

Voljeti neko jelo

Olie

Ulje

Azijn

Ocat

Zout

Sol

Peper

Papar

Fruit

Voće

Water

Voda

Melk

Mlijeko

Yoghurt

Jogurt

Wijn

Vino

Rode wijn

Crno vino

Witte wijn

Bijelo vino

Kwast

Limunada

Coca-cola

Koka-kola

Pruimenjenever

Šljivovica

Aperitief

Aperitiv

Alcoholvrije dranken

Bezalkoholna pića

Dessert

Desert

Wild

Divljač

Ontbijt

Doručak

Gebak

Kolač

Naar keuze

Po izboru

Bediening

Posluga

Voorgerechten

Predjela

Rekening

Račun

Van de grill

Sa roštilja

Avondmaal

Večera

Kabeljauw

Bakalar

Peper

Biber, papar

Fles

Boca

Thee

Čaj

Broer

Brat

Mijn

Moj

 

Gesprek:

Razgovor:

Jaap: Weet je een goedkoop restaurant?

Znaš li jedan jeftin restoran?

Marko: O ja, in het centrum is een Chinees restaurant.

O da, u centru je jedan Kinski restoran.

Jaap: Zullen we samen gaan eten?

Hoćemo li zajedno jesti?

Marko: Is goed, waneer.

U redu, kada?

Jaap: Nu, ik heb honger.

Sada, ja sam gladan.

Marko: Ik ben vol, ik kan nu niet eten maar ik wil graag een koffie.

Ja sam sit, ja ne mogu sada jesti, ali bih jednu kavu.

Jaap: O.K. gaan we dan.

O.K. idemo onda.

Marko: Wanneer en wat gaan we bestelen?

Kada i što ćemo naručiti?

Jaap: I wil graag eerst iets drinken.

Ja ću najprije nešto da popijem.

Marko: Wat wil je drinken?

Što ćeš da popiješ?

 

 

Jaap: Ik wil graag een Coca-Cola, en jij?

Ja ću Koka-Kolu, a ti?

Marko: Koffie.

Kavu.

Jaap: Kijk, daar is menukaart.

Vidi, tamo je menu.

Ober: Goedendag, wilt u iets bestellen?

Dobar dan, želite nešto naručiti?

Marko: Ja, een Coca-Cola en een Koffie.

Da jednu Koka-Kolu i jednu kavu.

Ober: Anders nog iets?

Još nešto?

Marko : Nee.

Ne.

Ober: Alstublieft, twee Coca-Cola’s.

Izvolite, dvije Koka-Kole.

Marko: Dit hebben we niet besteld.

We hebben een Coca-Cola en een koffie besteld.

Mi nismo ovo naručili. Mi smo jednu Koka-Kolu i jednu kavu naručli.

Ober: Sorry, Ik kom zo terug met een koffie.

Izvinite, odmah ću donijeti kavu.

Jaap: Ober, ik wil graag eten bestelen.

Konobar, htio bih naručiti jesti.

Ober: Zegt u het maar.

Kažite.

Jaap: Vis en toematen sla.

Ribu i salatu od paradajza.

Marko: Ober, wij willen afrekenen.

Konobar, hoćemo da platimo.

Ober: Betalt ieder voor zich?

Plaća li svatko za sebe?

Jaap: Ja.

Da.

Ober: Koffie is tien Kuna, vis en Coca-Cola honderd twintig Kuna.

Kafa deset Kuna, riba i Koka-Kola sto dvadeset Kuna.

 

Voorbeeld:

Primjer:

Weet u een gezellig café?

Znate li zgodnu kafanu?

Wij willen wat eten…drinken.

Želimo nešto pojesti...popiti

Hebt u een tafel voor twee personen?

Imate li stol za dvije osobe?

Is deze tafel vrij?

Je li ovaj stol slobodan?

Waar blijft ober?

Gdje je konobar?

Wij willen eerst iets drinken.

Želimo najprije nešto popiti.

Wij willen bestellen.

Želimo naručiti.

Kunnen wij snel iets eten?

Možemo li nešto na brzinu pojesti.

Wat is uw specialiteit?

Što je vaš specijalitet?

Het heeft goed gesmaakt.

Bilo je ukusno.

De rekening klopt niet.

Račun ne odgovara.

U hebt te weinig berekend.

Vi ste manje naplatili.

U hebt te veel berekend.

Vi ste više naplatili.

Is dit inclusief?

Je li ovo zajedno sa?

De soep is koud.

Juha je hladna.

Dit is niet schoon.

Ovo nije čisto.

 

Werkwoord “Zullen”:

Glagol “Hoću”:

Ik zal komen.

Ja ću doći.

Je / Jij zal komen.

Ti ćeš doći.

Hij zal komen.

On će doći.

Ze zal komen.

Ona će doći.

Het zal komen.

Ono će doći.

We / wij zullen komen.

Mi ćemo doći.

Zij zullen komen.

Oni će doći.

Jullie zullen komen.

Vi ćete doći.

U zult komen.

Vi ćete doći.

Zal ik komen?

Hoću li ja doći?

Zal je / jij Komen?

Hoćeš li ti doći?

Zal hij komen?

Hoće li on doći?

Zal ze komen?

Hoće li ona doći?

Zal het komen?

Hoće li ono doći?

Zullen we / wij komen?

Hoćemo li mi doći?

Zullen zij Komen?

Hoće li oni doći?

Zullen jullie komen?

Hoćete li vi moći?

Zult u komen?

Hoćete li vi doći?

Ik zal niet komen.

Ja neću doći.

Je / Jij zal niet komen.

Ti nećeš doći.

Hij zal niet komen.

On neće doći.

Ze zal niet komen.

Ona neće doći.

Het zal niet komen.

Ono neće doći.

We / Wij zullen niet komen.

Mi nećemo doći.

Zij zullen niet komen.

Oni neće doći.

Jullie zullen niet komen.

Vi nećete doći.

U zult niet komen.

Vi nećete doći.

Ik zal drinken.

Ja ću piti.

Je / Jij zal drinken.

Ti ćeš piti.

Hij zal drinken.

On će piti.

Ze zal drinken.

Ona će piti.

Het zal drinken.

Ono će piti.

We / Wij zullen drinken.

Mi ćemo piti.

Zij zullen drinken.

Oni će piti.

Jullie zullen drinken.

Vi ćete piti.

U zult drinken.

Vi ćete piti.

 

Werkwoord “willen”:

Glagol “Želiti, Htjeti”:

Ik wil dansen.

Ja želim / hoću plesati.

Je / Jij wil dansen.

Ti želiš / hoćeš plesati.

Hij wil dansen.

On želi / hoće plesati.

Ze wil dansen.

Ona želi / hoće plesati.

Het wil dansen.

Ono želi / hoće plesati.

Wij willen dansen.

Mi želimo / hoćemo plesati.

Zij willen dansen.

Oni žele / hoće plesati.

Jullie willen dansen.

Vi želite / hoćete plesati.

U wilt dansen.

Vi želite / hoćete plesati.

Wil ik dansen?

Želim / Hoću li ja plesati?

Wil je / jij dansen?

Želiš / Hoćeš li ti plesati?

Wil hij dansen?

Želi / Hoće li on plesati?

Wil ze dansen?

Želi / Hoće li ona plesati?

Wil het dansen?

Želi / Hoće li ono plesati?

Willen we/wij dansen ?

Želimo / Hoćemo li mi plesati?

Willen zij dansen?

Žele / Hoće li oni plesati?

Willen jullie dansen?

Želite / Hoćete li vi plesati?

Wilt u dansen?

Želite / Hoćete li vi plesati?

Ik wil niet dansen.

Ja ne želim / neću plesati.

Je / Jij wil niet dansen.

Ti ne heli / nećeš plesati.

Hij wil niet dansen.

On ne želi / neće plesati.

Ze wil niet dansen.

Ona ne želi / neće plesati.

Het wil niet dansen.

Ono ne želi / neće plesati.

We / wij willen niet dansen.

Mi ne želimo / nećemo plesati?

Zij willen niet dansen.

One / Oni ne žele / neće plesati.

Jullie willen niet dansen.

Vi ne želite / nećete plesati.

U wilt niet dansen.

Vi ne želite / nećete plesati.

 

Gesprek:

Razgovor:

Marko: Lust je rijst?

Voliš li rižu?

Jaap: Ja, ik lust rijst.

Da, volim rižu.

Marko: Lust je groenten en fruit?

Voliš li voće i povrće ?

Jaap: Ja, ik lust groenten en fruit.

Da, ja volim voće i povrće.

Marko: Wie lust varkensvlees?

Tko voli svinjetinu?

Jaap: Mijn broer lust varkensvlees.

Moj brat voli svinjetinu.

Marko: Lust hij ook eieren?

Voli li on jaja?

Jaap: Ja, hij lust ook eieren.

Da, on voli također jaja.

Marko: Wat wil je drinken Jaap?

Što ćeš piti Jaap?

Jaap: Ik wil graag een glas rode wijn.

Ja ću jednu čašu crnog vina.

Jaap: En jij Marko, wat wil je drinken?

A ti Marko, što ćeš ti piti?

Marko: Ik wil graag een glas witte wijn.

Ja ću jednu čašu bijelg vina.

 

Winkelen:

Kupovina:

Koper: Hoeveel kost deze zwembroek?

Kupac: Koliko koštju kupaće gaće?

Verkoopster: 48 Kune.

Prodavač: Četrdeset osam kuna.

Koper:  Welke maat is dit?

Kupac: Koji je to broj?

Verkoopster: Dit is maat 40.

Prodavač: To je broj četrdeset.

Koper: Ik neem deze.

Kupac: Uzet ću ih.

Verkoopster: 48 Kune alstublieft.

Prodavač: Četrdest osam Kuna molim.

Koper: Alstublieft.

Kupac: Izvolite.

Verkoopster: Dank u.

Prodavač: Hvala.

Koper: Dag.

Kupac: Doviđenja.

Verkoopster: Dag meneer.

Prodavač: Doviđenja gospodine.

 

Voorbeeld:

Primjer:

Hoe laat gaan winkels open?

U koliko se sati otvaraju dućani ?

Hoe laat gaan winkels dicht?

U koliko se sati zatvaraju dućani ?

Waar kan ik appel kopen?

Gdje mogu jabuke kupiti?

Mag ik dit passen?

Mogu li ovo probati?

Het zit niet goed.

Ne stoji dobro.

Dit is te klein… groot.

Ovo je premaleno…. preveliko.

Heeft u een Nederlandse krant?

Imate li Holandske novine?

Kan ik met een reischeque betalen?

Mogu li platiti sa turističkim čekom ?

Kan ik hier pinnen?

Mogu li ovdje pinovati ?

 

Duane:

Carina:

Passport alstublieft.

Pasoš molim.

Heeft u iets aan te geven?

Imate li nešto za cariniti?

Ik heb niets aan te geven.

Nemam ništa za carinenje.

Ik wil geld wisselen.

Hoću novac da promjenim.

Dit is voor eigen gebruik.

Ovo je za osobnu upotrebu.

Die koffer is van mij.

To je moj kofer.

Ik ben mijn passport verloren.

Ja sam izgubio pasoš.

Kan ik doorgaan?

Mogu li ići dalje?

Hier is mijn bagage.

Evo mog prtljaga.

Waar is bagagedepot?

Gdje je garderoba?

Ik ben mijn bagage kwijt.

Izgubio sam svoj prtljag.

Wilt u mijn bagage bewaren tot vrijdag?

Hoćete li mi spremiti prtljag do ponediljka?

Er ontbreekt een tas.

Fali jedna torba.

Hoeveel mag ik meenemen?

Koliko smijem ponijeti sa sobom.

 

Op het postkantoor:

Na pošti:

Waar is het postkantoor?

Gdje je pošta?

Waar is telefooncel a.u.b.?

Gdje je telefonska govornica, molim vas?

Ik wil telefoneren naar Nederland.

Hoću telefonirati u Holandiju.

Waar is brievenbus?

Gdje je poštanska kutija?

Kan ik hier postzegels kopen?

Mogu li ovdje poštanske markice kupiti?

Waar kan ik postzegels kopen?

Gdje mogu kupiti poštanske markice?

Geef mij a.u.b. twee postzegel.

Dajte mi dvije poštanske markice molim vas.

Ik wil een telegram sturen.

Hoću poslati telegram u.

Wat kost het per woord, minuut?

Koliko košta po riječi, minuti?

Ik wil twee aanzichtkaarten.

Hoću dvije razglednice.

Verkeerd verbonden.

Krivo spojeno.

De verbinding is verbroken.

Veza je prekinuta.

Wilt u dit nummer voor mij bellen?

Hoćete li mi ovaj broj nazvati?

Drie enveloppen graag.

Dvije koverte.

Mag ik spreken met.

Mogu li govoriti sa.

Beste / lieve Ana

Draga Ana

Geachte heer

Cijenjeni gospodine

Geachte mevrouw / mejuffrouw

Cijenjena gospođo/ gospođice

Aangetekend

Preporučeno

 

Kleuren:

Boje:

Wit

Bijel- a-o

Geel

Žut-a-o

Grijs

Siv-a-o

Bruin

Smeđ-a-o

Blauw

Plav-a-o

Groen

Zelen-a-o

Rood

Crven-a-o

Zwart

Crn-a-o

Roze

Roz-a-o

Paars

Ljubičast-a-o

Oranje

Narandžast-a-o

Licht

Svijetao-tla-tlo

Donker

Taman-mna-mno

 

Bij de arts :

Kod doktera:

Hans: Dag doktor.

Dobar dan doktore.

Dokter: Dag meneer.

Dobar dan gospodine.

Hoe kan ik u helpen?

Kako mogu da vam pomognem?

Hans: Sinds gisteren heb ik pijn in mijn buik.

Od jučer imam bol u stomaku.

Dokter: Gaat u vaak naar wc?

Idete li često u wc?

Hans: Ja, gisteren 6-7 keer, en vandaag ook.

Da, jučer 6-7 puta, danas isto.

Dokter: Hebt u vaak last van de buik?

Imate li često probleme sa stomakom?

Hans: Nee.

Ne.

Dokter: Wat hebt u gegeten?

Što ste jeli?

Hans: Ik heb twee ijsjes gehad.

Dva sladoleda.

Dokter: Ik ga uw buik even kijken.

Ja ću da pogledam vaš stomak.

Doet dat pijn?

Boli li ovo?

Hans: Nee.

Ne.

Dokter: En dit?

A ovo?

Hans: Ik heb hier pijn.

Boli me tu.

 

Voorbeeld:

Primjer:

Ik ben ziek.

Bolestan sam.

Ik ben verkouden.

Prehlađen sam.

Ik ben duizelig.

Imam vrtoglavicu.

Ik heb buikpijn.

Trbuh me boli.

Ik heb diarree.

Imam proliv.

Ik heb griep.

Imam gripu.

Ik heb hoofdpijn.

Glava me boli.

Ik heb keelpijn.

Grlo me boli.

Ik heb kispijn.

Zub me boli.

Ik heb koorts.

Imam temperaturu.

Ik heb oorpijn.

Uho me boli.

Ik heb overgegeven.

Povraćao sam.

Wilt u de dokter laten halen?

Molim vas, zovite liječnika / doktora.

Ik voel mij beter.

Osjećam se bolje.

Ik voel mij slechter.

Osjećam se gore.

Moet ik in bed blijven?

Moram li ostati u krevetu?

Mag ik alles eten?

Smijem li jesti sve?

Ik heb een vermageringsdieet.

Na dijeti za mršavljenje sam.

Wanner mag ik opstaan?

Kada smijem ustati?

Ik zoek een dokter.

Tražim liječnika.

Ik zoek een tandarts.

Tražim zubara.

Ik zoek een apotheek.

Tražim apoteku.

Heeft u een middel tegen zeeziekte?

Imate li sredstvo protiv morske bolesti?

Heeft u een middel tegen luchtziekte?

Imate li sredstvo protiv zračne bolesti?

Heeft u een middel tegen insecten betten?

Imate li sredstvo protiv ujeda od komaraca?

Heeft u aspirine?

Imate te li aspirin?

Heeft u condoom?

Imate li kondom?

Heeft u pleisters?

Imate li flaster?

Heeft u zwachtel?

Imate li sterilni zavoj?

Heeft u een middel tegen verbranding?

Imate li sredstvo protiv opeklina?

Wanner is het klaar?

Kada će biti gotovo?

Ik ben hart patiënt.

Ja sam srčani bolesnik.

Ik heb verhoogde bloeddruk.

Imam povišen krvni tlak.

Ik heb suikerziekte.

Imam šecernu bolest.

Ik ben allergisch voor…

Alergičan sam na….

Deze tand doet pijn.

Ovaj zub me boli.

Er is een vulling uitgevallen.

Ispala mi je plomba.

Moet ik terugkomen?

Moram li ponovo doći?

Hoe lang heeft u deze klachten?

Koliko dugo imate ove tegobe?

Welke medicijnen gebruikt u?

Koje lijekove koristite?

U moet naar een specialist.

Morate kod specialiste.

Moet ik naar een specialist?

Moram li kod specialiste?

 

Lichaamdelen:

Dijelovi tijela:

Ader

Vena

Arm - hand

Ruka

Bloed

Krv

Been

Noga

Bil

Stražnjica

Blinde darm

Slijepo crijevo

Borst

Sisa, Dojka

Buik

Stomak

Darm

Crijevo

Dikke darm

Debelo crijevo

Duim

Palac

Dunne darm

Tanko crijevo

Elleboog

Lakat

Enkel – pols

Članak

Geslacht

Spol

Gewricht

Zglob

Gezicht

Lice

Haar

Kosa

Hak

Peta

Hals - nek

Vrat

Hand – arm

Ruka

Hart

Srce

Hersenen

Mozak

Hoofd

Glava

Huid

Koža

Ingewanden

Utroba

Kaak

Čeljust

Keel

Grlo

Knie

Koljeno

Lever

Jetra

Lichaam

Tijelo

Lip

Usna

Long

Pluća

Maag

Želudac

Milt

Slezena

Mond

Usta

Nier

Bubreg

Nagel

Nokat

Navel

Pupak

Neus

Nos

Oksel

Pazuh

Oog

Oko

Ooglid

Kapak

Oor

Uho

Pols – enkel

Članak

Rib

Rebro

Rug

Leđa

Slagader

Arterija

Sleutelbeen

Ključna kost

Slokdarm

Jednjak

Spier

Mišić

Tand

Zub

Tepel

Bradavica

Teen

Prsti na nozi

Tong

Jezik

Vinger

Prst

Voet

Stopalo

Wenkbrauw

Obrva

Wimper

Trepavica

 

Overnachten:

Prenoćište:

Ik wil een kamer met tweepersoonsbed.

Želim sobu sa bračnim krevetom.

Ik wil een kamer met twee beden.

Želim sobu sa dva kreveta.

Ik wil een kamer met badkamer.

Želim sobu sa kupatilom.

Ik wil een kamer met ontbijt.

Želim sobu sa doručkom.

Ik wil een kamer met lunch.

Želim sobu sa ručkom.

Wat is prijs voor een nacht?

Koja je cijena za jednu noć.

Heeft u een goedkope kamer?

Imate li jednu jeftinu sobu?

Mag ik de kamer zien?

Mogu li vidjeti sobu?

Ik neem deze kamer.

Uzet ću ovu sobu.

Hoe laat is het ontbijt?

U koliko sati je doručak?

Hoe laat is het lunch?

U koliko sati je ručak?

Kan ik van de badkamer gebruik maken?

Mogu li se poslužiti kupatilom?

Mijn naam is … ik heb een kamer

Zovem se … rezervirao sam

gereserveerd.

jednu sobu.

De sleutel alstublieft van kamer 23.

Molim vas, dajte mi ključ sobe broj dvadesttri.

Wek mij om 8.00 uur.

Probudite me u osam sati.

Kan ik mijn ontbijt in mijn kamer krijgen?

Mogu li dobiti doručak u sobu?

Kan ik nog 3 dagen blijven?

Mogu li još tri dana ostati?

Zet het op de rekening.

Stavite na račun.

Heeft u een kinderbedje?

Imate li dječiji krevetić?

Heeft u een tweede handdoek?

Imate li još jedan peškir?

Het toiletpapier is op.

Nema više toalet papira.

We hebben geen warm water.

Nema tople vode.

Wilt u dit nummer voor mij opbellen?

Molim vas, nazovite mi ovaj broj?

Ik vertrek morgen.

Odlazim sutra.

Kan ik rekening krijgen?

Mogu li dobiti račun?

Wat betekent dit bedrag?

Što znači ova svota?

Hoe laat moet de kamer ontruimd zijn?

U koliko sati moram napustiti sobu?

Er is niet schoongemaakt.

Nije očćeno.

Het slot van de deur is kapot.

Brava na vratima je razbijena.

Ik kan het raam niet open krijgen.

Ne mogu otvoriti prozor.

Waar is beheerder?

Gdje je upravitelj?

Waar kan ik kamperen?

Gdje mogu kampirati?

Kan ik hier kamperen?

Mogu li ovdje kampirati?

Zijn honden toegestaan?

Je li dozvoljeno donijeti pse?

Is er en zwembad?

Ima li ovdje bazen za plivanje?

Is er aansluiting op het lichtnet?

Ima li priključak za struju?

Waar is de kantine?

Gdje je kantina?

Is hier een kampwinkel?

Ima li ovdje trgovina?

 

Worden:

Riječi:

Reserveren

Rezervirati

Jeugdherberg

Omladinsko prenočište

Hotel

Hotel

Kamer

Soba

Eenpersoonskamer

Jednokrevetnu sobu

Tweepersoonskamer

Jvokrevetnu sobu

Sleutel

Ključ

Douche

Tuš

Bed

Krevet

Nacht

Noć

Pension

Pansion

Receptie

Recepcija

Privé badkamer

Privatna kupaonica

Winkel

Trgovina / Dućan

Zwembad

Bazen

Aansluiting

Priključak

Toegestaan

Dozvoljeno

Gebruik

Koristiti, poslužiti

Handdoek

Peškir, ručnik

Kinderbed

Dječiji krevet

Opbellen

Nazvati, pozvati

Bedrag

Iznos, suma

Raam

Prozor

Kapot

Razbijeno

Krijgen

Dobiti

Kamperen

Kampovati, kampirati

Zien

Vidjeti

Sleutel

Ključ

Blijven

Ostati

 

Uitgaan:

Izlazak:

Is er een goed film?

Ima li dobar film?

Is er een goed toneelstuk?

Ima li dobar kazališni komad?

Kunt u plaatsen reserveren?

Možete li mi rezervirati mjesta?

Kunt u plats reserveren?

Možete li mi rezervirati mjesto?

Hoe laat begint voorstelling?

U koliko sati počinje predstava?

Ik wil graag twee plaatsen voor

Molim vas dvije karte za

voorstelling van 19.00 -21.00 uur.

predstavu od sedam sati do devet.

Hoe laat is voorstelling afgeloopen?

U koliko sati završava predstava?

Is het doorlopende voorstelling?

Je li neprekidna predstava?

Heeft u een programma?

Imate li program?

Ik wil graag een programma.

Molim vas dajte mi program.

Heeft u een week programma?

Imate li tjedni program?

Kan ik deze reservatie ruilen?

Mogu li promjeniti ovu rezervaciju?

Waar kan men dansen ?

Gdje ima ples ?

Is het daar gezellig ?

Da li je tamo prijatno ?

Wilt u met mij dansen?

Hoćete li da plešete samnom?

Moet ik entree betalen ?

Moram li ulaznicu platiti ?

Is een drankje bij de entree inbegrepen?

Je li piće uračunato u ulaznicu?

Wij willen de stad bezichtigen.

Hoćemo grad razgledati.

Wat is interessant om te zien?

Šta je interesantno za vidjeti?

Waar kan ik inlichtingen krijgen over…?

Gdje mogu dobiti informacije o…?

Welke uitstapjes kan men in de omgeving Maken?

Koje izlete možem napraviti u oklini?

Waneer is het museum open?

Kada je muzej otvoren?

Kan ik reductie krijgen?

Mogu li dobiti popust?

Kunnen we hier naar binnen?

Možemo li ovfje ući?

Hoe laat is de volgende rondleiding?

U koliko sati je slijedeće razgledavanje?

Zijn er georganiseerde tochten?

Ima li organiziranih izleta?

Wij willen naar ballet?

Mi hoćemo na balet?

Hoe lang blijven we in de stad?

Koliko dugo ostajemo u gradu?

Is filmen toegestaan?

Je li dozvoljeno filmovati?

 

Ongeval:

Nesreća:

Er is en ongeluk gebeurd.

Dogodila se nesreća.

Ik ben gevallen.

Ja sam pao.

Hij is gevallen.

On je pao.

Er zijn gewonden.

Ima povređenih.

Er zijn geen gewonden.

Nema povređenih.

Ik heb hier erg pijn.

Ovdje me jako boli.

Ik kan niet lopen.

Ne mogu hodati.

Ik kan niet staan.

Ne mogu stajati.

Wilt u mij a.u.b. helpen?

Hoćete li mi pomoći molim vas?

Dank u voor u hulp.

Hvala vam na pomoći.

Wilt u de politie waarschuwen?

Molim vas, zovite policiju.

Mag ik uw naam en adres weten?

Molim vas, dajte mi svoje ime i adresu.

Bent u verzekerd?

Jeste li osigurani?

Wilt u getuige zijn?

Hoćete li biti svjedok?

Ik heb geen getuigen.

Nemam svjedoka.

Kunt u mij slepen?

Možete li me vući?

Waar is ziekenhuis?

Gdje je bolnica?

Weet u telefoonnummer van de politie?

Znate li telefonski broj policije?

 

Auto pech:

Auto peh, problem:

Mijn automobiel staat 20 km hier vandaan Met pech

Moj se autmobil pokvar io istoji 20 dvadeset kilometara odavde.

Wilt u mijn auto laten weghalen?

Hoćete li mi dovesti auto?

Kunt u mijn auto direct repareren?

Možete li mi odmah auto poraviti?

De motor loopt niet goed.

Motor ne radi dobro.

De motor start niet.

Motor neće da upali.

Wilt u mijn auto wassen?

Hoćete li da mi auto operete?

De ruitenwisser is kapot.

Brisač za stakla ne radi.

Deze lamp is kapot.

Ova sijalica je pregorila.

De remmen zijn niet in orde.

Kočnice nisu dobre.

De verwarming werkt niet.

Grijanje ne radi.

De airco werkt niet

Erkondišn ne radi.

Wilt u dit wiel verwisselen?

Hoćete li ovo kolo da promjenite?

Er mankeert iets aan mijn auto.

Moj auto nije u redu.

Wanneer is hij klaar?

Kada će biti gotov?

Heeft u een bougiesleutel?

Imate li ključ za svjećice?

Heeft u pomp?

Imate li pumpu?

Mijn band is lek.

Guma pušta.

Het licht doet het niet.

Svjetlo ne radi.

Wanneer kan ik hem terugkrijgen?

Kada ga mogu dobiti nazad?

Waar kan ik een auto huren?

Gdje mogu iznajmiti auto?

Kan ik een auto huren?

Mogu li iznajmiti auto?

Ik wil een auto huren voor een dag / week.

Želim iznajmiti auto za jedan dan / tijedan.

Wat kost het per dag?

Koliko košta za jedan dan?

Is verzekering inbegrepen?

Je li uračunato osigurenje?

Hier is mijn rijbewijs.

Evo moje vozačke dozvole.

Hoe laat moet ik auto terugbrengen?

Kada moram auto dovesti nazad?

Is de auto volgetankt?

Je li rezervoar napunjen?

Moet ik een borgsom storten?

Treba li platiti kauciju?

 

Reizen:

Putovati:

Gaat er een bus naar Split?

Ide li autobus u Split?

Gaat er een train naar Dubrovnik ?

Idel li vlak u Dubrovnik?

Hoe laat gaat de eerse bus naar Split?

Kada ide prvi autobus u Split?

Hoe laat gaat de latste train naar Dubrovnik?

Kada ide zadnji vlak u Dubrovnik?

Waar is de bushalte?

Gdje je autobusna stanica?

Waar is train station?

Gdje je željeznička stanica?

Waar moet ik uitstappen?

Gdje moram izaći?

Moet ik overstappen? Waar?

Moram li prsjedati? Gdje?

Hoe vaak gaat de bus?

Kako često ide autobus?

Wilt u me waarschuwen als ik moet uitstappen?

Hoćete li me upozoriti kad moram sićći?

Wat kost een kaartje naar Dubrovnik?

Koliko košta jedna karta za Dubrovnik?

Waar is een taxistandplaats?

Gdje je taksi stanica?

Wilt u een taxi bestellen?

Hoćete li naručiti taksi?

Waar is de VVV?

Gdje je turistički ured?

Waar is het Nederlandse ambassade?

Gdje je Holandska ambasada?

Waar kan ik inlichtingen krijgen over boot reis naar Pula?

Gdje mogu dobit informacije o plovidbi brodom za Pulu?

Heft u een plattegrond van de stad Zadar?

Imate li plan grada Zadra?

Heeft u een wegenkaart van Kroatie ?

Imate li auto kartu Hrvatske?

Wilt u mij de weg wijzen naar Zagreb?

Molim vas, pokažite mi put za Zagreb?

Ik ben de weg kwijt.

Zalutao sam.

Ik ben verdwaald.

Izgubio sam se.

Hoe ver zijn we van Poreč?

Koliko daleko smo od Poreča?

Hoe ver ben ik van de kust?

Koliko daleko sam od obale?

Hoe kom ik in het centrum?

Kako da dođem u centar?

Waar gaat deze weg naar toe?

Kuda vodi ovaj put?

Hoeveel km is naar Kroatie?

Koliko je kilometare do Hrvatske?

Moet ik keren?

Da li se treba okrenuti?

Moet ik omrijden?

Da li trbam zaobići?

Ik moet naar vliegveld.

Moram na aerodrom.

Aan welke uitgang moet ik zijn?

Na kojem izlazu moram biti?

Hier is mijn instapkaart.

Evo moje karte.

Enkele reis naar Vrsar.

Jednu kartu za Vrsar.

Retour naar Opatija.

Povtarnu kartu za Opatiju.

Eerste klasse train.

Prve klase vlak.

Tweede klasse train.

Druge klase vlak.

Is dit bus naar …?

Je li ovo autobus za …?

Is dit bus van …?

Je li ovo autobus iz … ?

Waar zijn we?

Gdje smo?

Waar is de haven?

Gdje je luka?

Hoe laat vertrekt boot naar …?

Kada polazi brod za …?

Hoe laat komt boot aan?

Kada dolazi brod?

Hoe lang duurt de rondvaart?

Koliko dugo traje vožnja brodom?

Kunnen we hier van boord gaan?

Možemo li sići na obalu?

Hoe laat moeten wij uiterlijk aan boord zijn?

Kada najkasnije moramo biti na brodu?

Wij zijn met 3 personen en een auto.

Mi smo sa tri osobe i jednim autom.

 

Sport:

Sport:

Verboden te zwemmen.

Zabranjeno plivati.

Hoe dip is het water?

Koliko je duboka voda?

Is het gevaarlijk voor kinderen?

Je li to opasno za djecu?

Kan ik hier een surfplank huren?

Mogu li ovdje iznajmiti dasku za jedrenje?

Kan ik hier een parasol huren?

Mogu li ovdje iznajmiti suncobran?

Kan ik mijn eigendommen hier in bewaring geven?

Mogu li ovdje pohraniti vredne stvari?

Mag ik hier vissen?

Mogu li ovdje loviti ribu?

Verboden te vissen.

Zabranjeno loviti ribu.

Heb ik een vergunning nodig ?

Trebam li dozvolu?

Wat voor vis zit hier?

Koja vrsta ribe se ovdje nalazi?

Heb ik een pasfoto nodig?

Trebam li imat jednu fotografiju?

Ik wil ski’s en schoenen huren.

Želim unajmiti skije i cipele.

Ik heb schoenmaat 43.

Imam brojcipela 43.

Deze schoenen zijn te grot.

Ove cipele su prevelike.

 

 
Zoeken
Accommodatie
Arrow (143) Kroatie
    L (58) Hotels
    L (10) Villa's
    L (16) Appartementen
    L (19) Campings
    L (5) Vakantiecompl...
    L (1) Bungalows
    L (10) Eilanden
    L (6) Budget
    L (1) Familie
    L (4) Exclusief
    L (7) Cruises & Zeilen
    L (1) Actief
    L (1) Verzekeringen
    L (3) Vervoer
    L (1) Fly & Drive
Aktie

Villa in Trogir
tea1221850232.jpg
Huur: € 55

Hotel Sol Garden Is...
tea1196342301.jpg
Huur: € 36

Hotel Pula
tea1226410353.jpg
Huur: € 36

Studio Holek - Eila...
tea1196703491.jpg
Huur: € 22
 
Top! Top!